Colijn redde Robaver
Oud-Hollandsch bankenredden
Hendrik Colijn redde in 1924 de Rotterdamsche Bank Vereeniging van de ondergang.
Met
Begin twintigste eeuw was bankieren nog simpel. Banken waren klein en de bankdirecteur kende zijn klanten persoonlijk. Particulieren leenden geen geld: alleen bedrijven gebruikten leningen om handelsvoorraden in te slaan. Als de voorraad een paar maanden later was verkocht, betaalde de klant zijn lening terug.
Rond 1910 veranderde het Nederlandse bankwezen. Door fusies ontstonden grote banken. De Rotterdamsche Bankvereeniging Robaver speelde het spel handig. Binnen enkele jaren was Robaver de tweede bank van Nederland.
De bank was modern. Al in 1920 werden bankmedewerkers met kroontjespennen vervangen door telmachines en een ponskaartinstallatie, een voorloper van de computer. Ook durfde Robaver geld te lenen aan fabrieken en havenbedrijven. Die investeerden niet in voorraden, maar in gebouwen en machines. Daardoor konden ze leningen pas na jaren aflossen.
Achteraf gezien had Robaver te weinig ervaring om de risico's van langlopende leningen te overzien. Maar liefst tien procent van het uitgezette geld werd nooit terugbetaald. Daar kwam nog een economische recessie bij, waardoor de met geleend geld gebouwde fabrieken stil kwamen te liggen en ineens niets meer waard waren.
De aandelenkoers van Robaver kelderde. De toekomst van de bank stond op het spel, en daarmee die van 600 andere bedrijven met duizenden medewerkers. Minister van Financiën Hendrik Colijn had geen keus. In augustus 1924 schreef hij een cheque van 50 miljoen gulden uit en stuurde de bankbestuurders naar huis. Robaver was gered, banken werden voorzichtiger. Enkele maanden later trok de economie aan. Robaver herstelde zich, en werd weer een belangrijke speler. In 1964 ging de Rotterdamse bank op in de AMRO bank.
Bijdragen
Reacties
Loading…
Hendrik
Jan
Zoeken naar items op Europeana