Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

Het Kinderwetje van Van Houten

Einde van kinderarbeid in Nederland

Rapporteer deze inhoud als ongepast
1874

Eeuwenlang werkten kinderen meer dan dat ze naar school gingen. School was voor degenen die het konden betalen. In de tweede helft van de negentiende eeuw ging het roer om: scholing won van kinderarbeid.

Het was in de negentiende eeuw niet ongewoon dat kinderen meewerkten in het bedrijf van hun ouders, op het land of in een fabriek. Hun inkomen was vaak hard nodig om de eindjes aan elkaar te knopen.

Halverwege de negentiende eeuw groeide de kritiek op kinderarbeid. Het zware werk was ongezond en stond de 'verheffing van het volk' in de weg. De regering vond echter dat er weinig problemen waren. In 1863 zag de schrijver J.J. Cremer het heel anders. Hij bezocht een Leidse stoomspinnerij en was geschokt over de arbeidsomstandigheden van de kinderen. Hij verhaalde over Heintje 'die schreeuwt en kromt van de pijn' en over 'kindergezichtjes flets van kleur en slap van vormen.' De nieuwe toon was gezet: kinderarbeid was een misstand waar streng tegen opgetreden moest worden.

Liberaal kamerlid Samuel van Houten wierp zich op als pleitbezorger van de verontruste burgers en schreef in 1873 een wetsvoorstel. Een jaar later ging de Tweede Kamer akkoord, maar slechts met grote aanpassingen. Kinderen onder de twaalf jaar mochten niet meer in fabrieken werken, maar nog wel op andere plaatsen. En de aan de wet gekoppelde leerplicht voor acht- tot twaalfjarigen vond geen doorgang. Daarmee maakte de regering het voor arme gezinnen wel erg moeilijk om hun kinderen thuis te houden. De wet stond dan ook al snel bekend als het 'Kinderwetje waar bitter weinig van over bleef.' Meer invloed had gelukkig de toenemende aandacht voor (verplicht) onderwijs.

Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.