De opkomst van de gloeilamp
Gaslicht verloor strijd tijdens Eerste Wereldoorlog
Begin negentiende eeuw verlichtten mensen hun huizen en de straten met kaarsen en petroleumlampen.
Dat veranderde halverwege de eeuw toen gemeenten gaslampen plaatsten langs duistere wegen. Later stapten ook particulieren over op gasverlichting omdat het gas, gewonnen uit steenkool, goedkoper werd.
Door de komst van het gaslicht durfden mensen ook na zonsondergang veilig de straat op. Maar de vooruitgang bracht ook problemen met zich mee. De lampen stonken, bij de verbranding kwam een vieze warmte vrij en een deel van het gas ontsnapte onverbrand. Zuren uit het gas tastten schilderijen, meubels en sieraden aan en roetdeeltjes lieten een zwart stoflaagje achter op het huisraad. Door het roet was het branden van de gaslampen binnenshuis ook erg ongezond.
Ondanks deze nadelen kon het gaslicht de concurrentie met de gloeilamp eind negentiende eeuw goed aan. De grootste troef van de gasproducenten was de prijs: elektrisch licht was veel te duur om op grote schaal door te breken. Alleen winkels en theaters, plekken waar mensen echt last hadden van de warmte, stapten over op de gloeilamp.
De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) draaide de situatie om. De Nederlandse overheid greep in toen geen Duits steenkool meer werd aangevoerd: gas mocht alleen nog maar worden gebruikt om op te koken en elektriciteit was voor de verlichting. De gloeilamp kende vervolgens weinig concurrentie.
Bijdragen
Reacties
Loading…
Zoeken naar items op Europeana