Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

De Gouden Eeuw

Rapporteer deze inhoud als ongepast

Ooit ging het zo goed met Nederland, dat we die tijd de Gouden Eeuw zijn gaan noemen. De handel, de kunst en de wetenschap: in alles liepen de Nederlanders voorop.

In de zeventiende eeuw was Nederland één van de machtigste landen ter wereld. De kleine republiek lag gunstig om handel te kunnen drijven met de Scandinavische landen en Rusland en de landen rond de Middellandse Zee. De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) haalde specerijen en thee uit Azië en drukke vaarroutes liepen naar Amerika en Afrika. De economische welvaart trok mensen uit de hele wereld aan. De bevolking groeide explosief; in Amsterdam was rond 1650 de helft van de inwoners uit het buitenland afkomstig.

De handelaren verdienden bakken met geld. Er werd dan ook volop gebouwd, zoals het prestigieuze Stadhuis (nu Paleis) op de Dam in Amsterdam. De Hollandse schilderkunst was wereldberoemd, denk maar aan Rembrandt, Vermeer en Jan Steen. En ook de wetenschap bereikte een hoog niveau. Vanwege al deze dingen wordt deze periode de Gouden Eeuw genoemd. Toch waren toen echt niet alle mensen rijk: de meesten konden alleen maar dromen van de luxe die zij om zich heen zagen.

In de loop van de achttiende eeuw raakte de Republiek der Nederlanden haar toppositie kwijt. De vele oorlogen met Engeland en Frankrijk eisten hun tol. De VOC ging ten onder aan de groeiende concurrentie. De Nederlanders raakten bovendien gewend aan de welvaart en werden minder ondernemend, namen minder risico's. Rentenieren was erg in trek en ongemerkt werd Engeland nu het nieuwe economische wereldcentrum.

Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.