Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

Hondsdolheid: een hondse ziekte

Rapporteer deze inhoud als ongepast

Voordat de beroemde Franse scheikundige Louis Pasteur eind negentiende eeuw een vaccin tegen hondsdolheid ontdekte, werden de meest extreme en behoorlijk pijnlijke methodes verzonnen om de besmettelijke ziekte te voorkomen en te genezen.

Bij de vondst van een dolle hond (of wolf of kat) werden hondenslagers ingezet. Een slecht betaald beroep: voor het doodslaan van zes honden kreeg een hondenslager in Middelburg in 1470 maar een stuiver. Net zoals nu was de hond een geliefd huisdier. De mensen probeerden hun hond dan ook te beschermen tegen de ziekte door hem bijvoorbeeld in te enten met addergif.

Dat hielp allemaal niets. Gelukkig bestonden er ook talloze middeltjes als je eenmaal gebeten was. Patiënten moesten baden in ijskoud water of juist zweten in stoom. De open wond werd ingewreven met olijfolie (eventueel vermengd met eieren), kwikzilver of zand. 'De verstandige huys-houder' raadde in 1661 aan om in bier gekookte zwaluwnesten op de beet te leggen. Een andere populaire methode was het schroeien van de hondenbeet met een gloeiend hete staaf. Soms werden ledematen geamputeerd.

Vooral wie in zijn gezicht gebeten werd, kon het wel vergeten. De beet voelde al snel branderig aan en er kwam slijm uit de mond van de zieke. Daarna werd hij schrikachtig en kreeg hij stuiptrekkingen. Hondsdolle mensen hadden soms de neiging heel hard rond te rennen en te bijten. Drinken deden ze niet meer - de ziekte heette ook wel watervrees - en de dood volgde snel.

Bijdragen 
Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.