Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

De industriële revolutie

Stoom als wondermiddel

Rapporteer deze inhoud als ongepast

Grote fabrieken met rokende schoorstenen. Treinen die het land doorkruisen. Stoom was het wondermiddel van de negentiende eeuw.

Eeuwenlang gebruikten Nederlanders hun eigen spierballen, paarden en wind als krachtbron. Toen de stoommachine in de achttiende eeuw in Engeland werd uitgevonden, hoefde dat niet meer. Toch duurde het nog even voordat Nederland op stoom kwam. In 1853 waren er nog maar 364 stoommachines. Drie daarvan hielden de Haarlemmermeerpolder droog. De stoomgiganten deden hetzelfde werk als 114 windmolens. In één ervan, de 'Cruquius', kun je de stoomkracht nog zien en horen.

Ook ondernemers zagen mogelijkheden met stoom, bijvoorbeeld bij het weven en spinnen van katoen. Grote fabrieken ontstonden. Bij de Amsterdamse suikerfabriek De Bruyn werkten rond 1840 al vijfhonderd mensen. Ze maakten 20 miljoen kilo suiker per jaar. Alles leek mogelijk. Het familietijdschrift Eigen Haard schreef in 1885 over de grote omwenteling die 'door de aanwending van de stoom niet alleen in industrie, maar ook in het geheele maatschappelijke leven is teweeggebracht.'

En inderdaad. Reizen werd bijvoorbeeld gemakkelijker door de komst van stoomschip en stoomtrein. Toch was niet iedereen blij met de stoommachine. Fabrieksarbeiders, ook kinderen, deden eentonig, ongezond en gevaarlijk werk. Een praatje maken was nauwelijks mogelijk: de stoommachines maakten te veel lawaai. Dit was ook de reden dat ene meneer Wouters uit Nijmegen bezwaar maakte toen zijn buurman een stoomkorenmolen wilde kopen. Hij was niet alleen bang voor het 'gedruisch en de schudding van het werktuig,' maar ook voor 'het groot gevaar van brand en springen van den ketel.

Bijdragen 
Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.