Immigratie in de 17e eeuw
Buitenlanders buitenstaanders
Nederland lijkt soms verdeeld zijn in een 'wij' en een 'zij'. Zij, dat zijn de anderen, de buitenstaanders, de buitenlanders. De moeizame relatie tussen immigranten en autochtonen is niet nieuw.
In de zeventiende eeuw hadden de bewoners van de Republiek het niet zo op de vele immigranten die ons land overspoelden. Vreemdelingen kwamen in deze Gouden Eeuw voornamelijk uit Duitstalige gebieden en uit Frankrijk. Nederlanders waren bang voor de invloed van deze mensen op de samenleving. Tegelijkertijd waren deze immigranten, net als nu, ontzettend belangrijk voor de Nederlandse economie.
Ook toen was de maatschappelijke integratie van de verschillende groepen een probleem. Mochten joden in Leiden en Amsterdam bijvoorbeeld hun eigen synagogen bouwen? De stadsbesturen stonden het toe, maar mondjesmaat, onder het motto 'tolerantie onder toezicht'. Vreemdelingen moesten in bepaalde buurten bij elkaar wonen, in een soort getto's. Buurtmeesters hielden de situatie in zo'n wijk scherp in de gaten en grepen in als dat nodig was.
Toch mochten nieuwkomers hun heil ook weer niet ergens anders zoeken: ze leverden namelijk een onmisbare bijdrage aan het 'goud' van de Gouden Eeuw. Zonder de ervaring, kennis en het geld van buitenlanders had ons land in de zeventiende eeuw nooit zo'n grote economische en culturele bloei kunnen doormaken. De Amsterdamse bevolking groeide van 50.000 mensen in 1600 tot 200.000 inwoners vijftig jaar later. Amsterdam groeide zo uit tot een echte wereldstad, die zonder immigranten wellicht onbetekenend zou zijn gebleven.
Bijdragen
Reacties
Loading…
Jan
Lotte
Zoeken naar items op Europeana