Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Het Bourgondische Rijk

Rapporteer deze inhoud als ongepast
1419 – 1467

Regeringsperiode van Filips de Goede. De Nederlanden worden onderdeel van het Bourgondische Rijk.

Bourgondië, een landstreek in het oosten van Frankrijk, dankt zijn naam aan de Germaanse stam der Bourgondiërs die vanuit Bornholm (Denemarken) naar het zuiden waren getrokken en zich aan de Rijn hadden gevestigd.Zij werden echter verdreven door de Hunnen en kregen vervolgens van de Romeinen in Savoye (Franse Alpen) een nieuwe woonplaats toegewezen.
In 1363 werd het hertogdom Bourgondië door de koning van Frankrijk aan zijn zoon Filips de Stoute (1342 - 1404) toegewezen. Door zijn huwelijk met de Vlaamse erfdochter Margaretha legde hij de basis voor het latere Bourgondische Rijk. Zijn kleinzoon Filips de Goede (1396-1467) stelde de zogenaamde ‘Staten’ in een poging centraal gezag te vestigen in zijn rijk.

In de veertiende eeuw waren de Nederlanden min of meer uitgegroeid tot zelfstandige gebieden met eigen privileges. De Staten, waarin de adel, geestelijken en afgevaardigden uit de steden zaten, konden zelf beslissen over de financiële bijdrage van de gewesten aan de centrale regering. Later wisten de Staten hun macht verder uit te breiden. De Staten kwamen voor het eerst in 1464 in Brugge bijeen. Deze bijeenkomst wordt wel gezien als de eerste vergadering van het orgaan dat later de Staten-Generaal zou worden genoemd en nog steeds de officiële naam van het Nederlandse parlement is.
Karel de Stoute (1433 - 1477), zoon van Filips de Goede, werd in 1467 hertog van Bourgondië, Brabant, Limburg en Luxemburg en graaf van Vlaanderen, Holland en Zeeland. Karel de Stoute staat vooral bekend om zijn streven het Middenrijk van Lotharius te herstellen. Hij werd daarbij dwarsgezeten door de Franse koning Lodewijk XI. Karel de Stoute richtte een aantal centrale organen op zoals de Centrale Rekenkamer en het Parlement van Mechelen, het hoogste rechtsorgaan in de Nederlandse gewesten.

De Bourgondische tijd was een bloeiperiode voor handel, nijverheid en kunst. Antwerpen werd de belangrijkste havenstad van de Nederlanden en met name de lakenindustrie was een belangrijke bron van inkomsten. In de zuidelijke Nederlanden ontwikkelde de kunst zich tot een hoog niveau. Jan van Eyck, hofschilder aan het hof van Filips de Goede, schilderde zijn beroemde altaarstuk ‘De aanbidding van het Lam Gods’. Daarnaast behoren de schilderijen van Hieronymus Bosch tot de hoogtepunten uit die tijd. In Leuven werd de eerste Nederlandse universiteit gesticht. De boekdrukkunst, die omstreeks 1440 werd uitgevonden door de Duitse goudsmit Johan Gutenberg, zorgde voor een hausse in de literatuur.

In 1477 sneuvelt Karel de Stoute bij Nancy. Het hertogdom Bourgondië kwam hierdoor weer onder invloed van de Franse kroon. De overige gebieden, waaronder de Nederlanden, kwamen door het huwelijk van zijn dochter Maria van Bourgondië met Maximiliaan I van Oostenrijk, in Habsburgs bezit. Aan het eind van de veertiende eeuw klinkt in de Nederlanden steeds luider kritiek op de kerk, dat ten slotte zou leiden tot een scheuring in de Rooms-Katholieke kerk.

Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.