Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Het Duitse Rijk

Rapporteer deze inhoud als ongepast
925

De Nederlanden worden deel van het Duitse Rijk.

Lodewijk de Vrome (778-840) volgde in 814 zijn vader Karel de Grote op. Hij liet onder andere kustverdedigingen bouwen tegen de invallen van de Vikingen, die al waren begonnen onder het bewind van zijn vader. De Vikingen, voornamelijk afkomstig uit Denemarken, zouden nog zeker 200 jaar de kuststreken van Nederland binnendringen om via de rivieren tot ver in de binnenlanden te plunderen.

Na de dood van Lodewijk de Vrome werd in 843 in Verdun het rijk verdeeld onder zijn drie zonen. De oudste zoon Lotharius kreeg de keizerskroon en het langgerekte middelste gebied toegewezen. Tot dit Middenrijk, dat zich uitstrekte van Midden-Italië tot de Noordzee, behoorden ook de Nederlanden. Na zijn dood werd het Middenrijk opnieuw verdeeld onder zijn drie zoons. Lotharius II kreeg het noordelijke gebied, dat zich uitstrekte van Friesland tot het Juragebergte in oostelijk Frankrijk. Het rijk van Lotharius werd in de volkstaal ‘ Lotharingen’ genoemd. Nadat Lotharius II zonder wettige erfgenamen was gestorven, werd Lotharingen verdeeld in West- en Oost-Frankenland. In 925 veroverde Hendrik I, de Vogelaar, koning van Duitsland, geheel Lotharingen. Hiermee werden de Nederlanden formeel ingelijfd bij het Duitse Rijk, een situatie die officieel tot 1648 voortduurde. Ondanks deze inlijving bleef het gebied Lotharingen steeds naar onafhankelijkheid streven.

Het leenstelsel in het Duitse Rijk zorgde voor een ingrijpende wijziging in de sociale structuur van die tijd. Trouwe edelmannen en kerkelijke gezagsdragers kregen grondgebied toegewezen dat ze vervolgens verdeelden. Ook deze leenmannen gaven weer stukken grond in leen. Helemaal onderaan deze machtsstructuur stonden de boeren of horigen, die het grootste deel van hun oogst moesten afstaan aan hun heren.
De leenmannen begonnen zich steeds onafhankelijker te gedragen van het Duitse Rijk en legden zo de grondslag voor de eerste graafschappen en later voor de zelfstandige vorstendommen. De naam Holland kwam circa 1100 opduiken als naam van zo’n graafschap. In de Nederlandse geschiedenis wordt deze periode aangeduid als de ‘landsheerlijke tijd’. In deze tijd werd veel land ontgonnen en nam de handel en industrie toe. Het deel van de bevolking dat in steden woonde groeide hierdoor aanzienlijk, waardoor het plaatselijk bestuur steeds belangrijker werd. De Duitse keizers trachtten hun gezag, dat meer en meer werd ondermijnd door het onafhankelijkheidsstreven van de graven en hun leenmannen, te herstellen door trouwe kerkelijke gezagsdragers te bekleedden met wereldlijke macht of leken kerkelijke macht te geven. Door deze politiek ontstond in de elfde en twaalfde eeuw de zogenaamde investituurstrijd tussen de keizer van het Heilige Roomse Rijk en de paus. In 1122 kwam er een eind aan deze strijd en zag de keizer er vanaf invloed uit te oefenen bij de benoeming van bisschoppen en abten. Het gevolg hiervan was gezagsverlies door de keizer en verder verval van het Heilige Roomse Rijk.

Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.