Werken tegen de werkloosheid
Tijdens de crisis van de jaren dertig werden werklozen met speciale bouwprojecten aan het werk geholpen. Dat was vaak geen pretje.
Met
“Mensen, gij hebt het goed. Gij kunt zelfs nog wat sparen. Mijn vrouw kan van 25 cent een heerlijke soep koken, 15 cent soepbotten, 5 cent rijst en 5 cent groente.” Zo sprak minister-president Colijn in 1933 tot de deelnemers aan de werkverschaffing in het Groningse Rhederveld. Maar veel van de toehoorders vonden helemaal niet dat zij het getroffen hadden. Zij werkten zich te pletter voor een schamel loon.
Tijdens de crisis van de jaren dertig steeg het aantal werklozen enorm, tot zo’n half miljoen. De regering-Colijn trok daarom in 1934 zestig miljoen gulden uit voor werkverschaffing: door de regering betaalde projecten waaraan de werklozen verplicht meewerkten. Hiermee werd voorkomen dat de werklozen nutteloos thuis zaten en kreeg de economie hopelijk een impuls. Bijkomend voordeel was dat de overheid voor een prikje projecten kon uitvoeren.
Zo ontgonnen werklozen in Groningen hoogveen, groeven zij het Twentekanaal, plantten zij het Kralingse Bos en gaven zij Nijmegen het Goffertpark. Zij moesten alles met de hand doen, zodat zoveel mogelijk mensen aan de slag konden. Onderwijzers, bankbediendes en verzwakte langdurig werklozen waren die zware lichamelijke arbeid helemaal niet gewend. Nu werkten ze vijftig uur per week hard, want de hoogte van het loon hing af van de hoeveelheid werk die hun ploeg verzette. Dat leidde bij veel van de mensen tot ernstige aandoeningen.
Bijdragen
Reacties
Loading…
Hendrik
Jan
Zoeken naar items op Europeana