Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

Wildplassen in Amsterdam

Stinkende strijd

Rapporteer deze inhoud als ongepast

Amsterdam strijdt al eeuwenlang tevergeefs tegen het wildplassen

In 1581 waarschuwden de Amsterdamse bestuurders niet meer te poepen of plassen voor het stadhuis of elders op straat. Overtreders betaalden een gulden boete en ouders waren aansprakelijk voor hun wildwaterende kinderen.

In mei 1733 maakten twee dronken Amsterdammers het wel erg bont. Zij klommen over hun schutting en waterden door een raam over een fraai tapijt, stoelen en gordijnen. De vrouw des huizes zou hierna van schrik zijn overleden, wist dagboekschrijver Jacob Bicker Raye.

Om de overlast van het wildplassen te bestrijden, bouwden de stadsbestuurders vanaf de 17de eeuw houten 'secreten' onder de bruggen en later 'urinebakken' langs de grachten. Maar dit was onvoldoende om alle wildplasserij tegen te houden en de stank in de stad bleef ondragelijk.

Halverwege de 19de eeuw kreeg een groep geneesheren, de 'hygiënisten', meer oog voor de ongezonde leefomstandigheden van mensen. Dankzij de arts Samuel Sarphati (1813-1866) kwamen er 'reukloze' openbare toiletten in Amsterdam.

Toch waren er onvoldoende openbare plasgelegenheden, omdat het onderhoud veel geld kostte. De stadsbestuurders lieten daarom plashokjes maken, die continu met water werden doorspoeld. Deze 'krullen' waren voorgangers van de plastic plaskruizen of plaspalen, zoals je die tegenwoordig ziet. Ondanks het succes van de krullen bleven gebouwen het doelwit van zure urinestralen. Het wildplassen bleek een onuitroeibaar fenomeen te zijn.

Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.