Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

Zigeunertoerisme

Kamperen was niet altijd respectabel

Rapporteer deze inhoud als ongepast

Veel Nederlanders verruilen in de zomer hun mooie huis tijdelijk voor een tent. Maar kamperen was niet altijd respectabel. De eerste recreatiekampeerders werden aan het begin van de twintigste eeuw gezien als landlopers.

De belangrijkste Nederlandse kampeerpionier was de Rotterdamse kleermaker Carl Denig. Hij werd geïnspireerd door de Engelsen, die al sinds het einde van de negentiende eeuw vakantie vierden in een tent. In 1912 sloeg Denig zijn zelfgemaakte tentje op op een Engels eiland.

Jammer genoeg bleek de locatie een militair oefenterrein en werd hij na één nacht kamperen gearresteerd op verdenking van spionage. Toch bleef hij een kampeerfanaat: toen hij was vrijgesproken en terug in Nederland was, richtte hij de NTKC op, de Nederlandsche Toeristen Kampeer Club.

Wie in een Nederlands dorp zijn tent wilde opzetten, moest een vergunning bij de gemeente aanvragen. Maar veel gemeentes weerden kampeerders, omdat ze hen beschouwden als landlopers. De voorzitter van de ANWB uit die tijd, Edo Bergsma, noemde kamperen zelfs ‘zigeunertoerisme.’ Een NTKC-handboekje uit 1913 adviseerde de doorzetters daarom om zich niet te laten afschrikken ‘door schampere opmerkingen van voorbijgangers’.

Na de Tweede Wereldoorlog werd kamperen razend populair. Zelfs de keurige ANWB begon zich ermee bezig te houden en organiseerde vanaf 1944 oefenkampen. Het doel was om beginners ervan te doordringen ‘dat kampeeren meer is dan roovertje spelen.’ Je leerde een tent opzetten en een primusstel gebruiken. In de jaren vijftig hielden ANWB-kantoren zelfs een ‘kampeertechnisch spreekuur.’ Al die voorlichting lijkt te hebben gewerkt: anno 2009 vieren bijna drie miljoen Nederlanders vakantie in een tent.

Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.