Bang voor de winter
Kleine ijstijd in West-Europa
Koning Winter werd eeuwenlang gevreesd om zijn meedogenloze kou, die veel slachtoffers maakte.
Met
In de winter van 1468 belegerde Karel de Stoute de stad Luik. In het legerkamp was het zo koud, dat de tonnen wijn bevroren waren. Ze werden in stukken gehakt en aan de klappertandende soldaten uitgedeeld als rantsoen, die de brok wijn bij het vuur ontdooiden. Soortgelijke situaties deden zich geregeld voor in de periode van 1430 en 1860, toen West-Europa een kleine ijstijd beleefde.
Vooral in de zestiende en zeventiende eeuw waren de winters koud en eindeloos lang. Een gemiddelde winter in deze tijd stond voor de meeste mensen in het teken van overleven. Een tekort aan brandstof was een van de grootste problemen. Hout om huizen te verwarmen was er – zeker in de steden – niet voldoende, dus werden de bomen gekapt. Was dat opgebrand, dan waren de houten kasten, stoelen en tafels aan de beurt.
Maar naast de kou lag er ook een ander gevaar op de loer: door de droogte tijdens vorstperiodes braken nog wel eens stadsbranden uit, die hele wijken of zelfs de halve stad in de as legde. Met bevroren bluswater was er niets tegen te doen.
En dan was er vaak ook een tekort aan voedsel. Molens werkten niet meer en voedsel kon door de dichtgevroren rivieren en sneeuwoverlast op de wegen moeilijk vervoerd worden. De lange winters duurde tot ver in het voorjaar en daardoor kon er niet op tijd gezaaid worden. Stierf je niet van de kou, dan ging je wel dood van de honger. De angst voor de winter was groot en vreselijkste verhalen gingen rond: baby’s vroren dood in hun wieg, bodes vielen dood van hun paard en mensen werden door uitgehongerde wolven verslonden.
Waren de winters dan helemaal nooit leuk? Zeker wel, want ook in de zestiende eeuw werd er geschaatst, werden sneeuwpoppen gemaakt en lieten edelen en rijke kooplieden zich per slee vervoeren. Maar sneeuwpret of niet: iedereen keek uit naar de zomer.
Bijdragen
Reacties
Loading…
Karel
Zoeken naar items op Europeana