Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

Lijfeigenen en horigen: Middeleeuwse slaven

Rapporteer deze inhoud als ongepast
700 – 1200

In de vroege middeleeuwen, vanaf de achtste eeuw, leefde de meerderheid van de Europeanen in een soort slavernij. Zij waren lijfeigene of horige.

Vooral lijfeigenen waren erg onvrij. Hun lichaam werd, net als dat van slaven, beschouwd als het bezit van hun heer. Toch waren ze iets beter af, want in tegenstelling tot veel slaven mocht een lijfeigene een gezin stichten en zijn heer mocht hem niet verkopen zonder dat gezin. De heer moest overigens wel toestemming geven voor de bruiloft, en de lijfeigene moest hem daar vaak ook voor betalen. Er was één ontsnappingsmogelijkheid: als een lijfeigene erin slaagde weg te lopen en zich een jaar en een dag in een stad wist te vestigen zonder dat zijn heer hem ontdekte, was hij vrij.

Een treetje boven de lijfeigenen stonden de horigen. Zij heetten zo, omdat ze bij de grond van hun meester ‘hoorden’. Een horige mocht, in tegenstelling tot de lijfeigene, wel bezittingen hebben. Als hij stierf, erfden zijn kinderen die. Maar zij erfden ook alle verplichtingen tegenover de heer waar zij bij hoorden. Zonder toestemming van hun heer mochten ze niet verhuizen.

Omdat ze zelf geen grond hadden, pachtten ze een stukje grond bij een heer om zichzelf en hun gezin te kunnen voeden. Daarvoor moesten ze wel een deel van de opbrengst van hun land aan de heer geven en klusjes (herendiensten) voor hem doen. Zoals op zijn land werken, voor hem houthakken en sloten graven. In ruil daarvoor zorgde de heer voor bescherming.

Vanaf de dertiende eeuw begon dit systeem te verwateren. De middeleeuwse slaven konden vluchten naar de opkomende steden. De heren, die hun landarbeiders niet kwijt wilden raken, boden de horigen daarom steeds meer rechten, en dus meer vrijheid.

Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.