Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

Spoorwegaanleg werd staatszaak

Rapporteer deze inhoud als ongepast
1860

“De spoorwegaanleg is geen staatszaak!” Jarenlang hielden de Nederlandse politici van de 19de eeuw zich vast aan deze regel. Als er behoefte was aan treinvervoer dan zou de markt deze leegte zelf wel vullen.

Vanaf 1839 openden verschillende particuliere spoorwegmaatschappijen enkele spoorlijnen. Zij liepen echter niet bepaald binnen. Naast de grote financiële risico’s gaf dit de potentiële investeerders geen moed. De Nederlandse regering begon zicht achter de oren te krabben. De particuliere aanleg van het spoor kwam duidelijk niet van de grond.

In de landen om ons heen, zoals Frankrijk en Duitsland, bemoeiden de regeringen zich wel met de aanleg van het spoor. Met als resultaat dat rond 1850 goederen en passagiers zich bij onze buren snel over een wijdverbreid spoornetwerk konden verplaatsen. Nederland lag hopeloos achterop.

De regering kwam vanaf 1857 met verschillende plannen om het hele land bereikbaar te maken door middel van staatsspoorlijnen. Om de handel te bevorderen werd ook aan verbindingen met havens en het buitenland gedacht. Bovendien wilde de regering de eenheid in Nederland vergroten door het centrum van Nederland te verbinden met de geïsoleerde noordelijke en zuidelijke provincies.

In 1860 was eindelijk een meerderheid akkoord en werd een wet aangenomen die het aanleggen van de staatsspoorlijnen mogelijk maakte. De vervoersrevolutie kon zich nu over ons hele land gaan verspreiden.

Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.