Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

Recht op vakantie

Met dank aan de Duitse bezetting

Rapporteer deze inhoud als ongepast
1941

Hoewel Nederlanders hun vakantiegeld maar zelden werkelijk uitgeven aan vakanties, vinden de meesten het heel normaal elk jaar wat extra te krijgen. En al helemaal om elk jaar een paar weken weg te mogen.

Nederlandse werknemers hebben recht op vakantie met behoud van loon. Om die vakantietoeslag zouden zowel werkgevers als werknemers honderd jaar geleden hartelijk hebben gelachen: het was al heel wat als je eens een dagje vrij kon krijgen, laat staan dat je er geld voor zou krijgen. Maar dit veranderde. Het idee dat mensen recht hebben op ontspanning en vrije tijd groeide. In de jaren twintig en dertig deden politici daarom al pogingen het recht op vakantie in de wet vast te leggen. Dat zij weinig voet aan de grond kregen had vooral te maken met de slechte economische omstandigheden van die tijd: je mocht blij zijn als je al werk had. Het zou uiteindelijk nog tot het jaar 1966 duren voordat de Nederlandse regering het recht op vakantie wettelijk vastgelegde.

Toch betekende dit niet dat Nederlanders tot dan toe nooit vakantie kregen: voor de meeste werknemers lag het aantal vakantiedagen namelijk al vast in hun CAO, de collectieve afspraken die vakbonden en werkgevers maakten voor de verschillende bedrijfstakken. Gek genoeg gebeurde dat voor het eerst in 1941, tijdens de bezetting! Veel werknemers kregen bijvoorbeeld recht op zes dagen vakantie en soms zelfs op vakantiegeld.

In 1945 vertrokken de Duitsers, maar hun opvattingen over vakantie bleven achter. Vanaf de jaren vijftig kregen Nederlanders meer vakantiedagen en steeds meer mensen gingen ook echt weg in de zomer. Vakantie was niet langer alleen iets voor de rijken. Het was ook geen gunst meer: het werd een recht voor iedereen.

Bijdragen 
Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.