Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Uitgelicht

Buitenplaatsen voor de rijken

Rapporteer deze inhoud als ongepast

In de 17de en 18de eeuw waren buitenhuizen in de mode. Dat gold natuurlijk alleen voor degenen die zich dat konden veroorloven. Van juni tot september zaten de rijken op het platteland, ver buiten de stad.

Waar de meeste mensen alleen van konden dromen, was voor de elite heel gewoon. Een groot buitenhuis om de zomer in door te brengen. Weg uit de warme en vieze steden.

In de 17de en 18de eeuw hield vrijwel iedereen van stand er een groot buitenhuis op na. In de zomer trokken alle burgemeesters, rijke kooplieden, advocaten en meer vooraanstaanden de stad uit. Nog steeds zijn veel van deze kasteeltjes en landhuizen te bewonderen, bijvoorbeeld langs de Vecht en rondom hofstad Den Haag.

Op zich was zo'n tweede huis op het platteland niets nieuws: in de middeleeuwen werden verschillende jachtsloten gebouwd. Het verschil was dat in de 17de en 18de eeuw ook leden van de burgerij er zo'n buiten op na konden houden, en niet alleen de adel (graven en hertogen), zoals in de middeleeuwen. En omdat de groep die het zich kon veroorloven een landhuis te nemen groeide, nam ook het aantal buitenplaatsen enorm toe.

Deze trend sloeg ook over naar Nederlands Indië, waar intussen heel wat Nederlanders woonden. Vanuit het benauwde Batavia (nu Jakarta), vluchtten de rijken naar landhuizen in een hoger gelegen gebied: tussen het plaatsje Weltevree en Buitenzorg (nu Bogor). Daar verbleven de gouverneur-generaal en andere belangrijke lieden het grootste deel van hun tijd. Een groot verschil met de huizen in Nederland was dat er in Indië op het erf vaak een soort torentje met een bel stond, om de slaven mee te roepen.

Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.