Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

Geschikt genoeg om te stemmen?

Rapporteer deze inhoud als ongepast
1887 – 1896

Vrouwen waren in ieder geval niet geschikt om te stemmen. Maar wie waren dat dan wel? Eind negentiende eeuw was dit een hot issue, een waar zelfs een minister om heeft moeten aftreden.

In 1887 kwam er een nieuwe Grondwet. Hierin werd opgenomen dat voortaan niet alleen meer de belastingbetalers, maar iedereen die geschikt was, mocht kiezen. Maar wat dat 'geschikt' precies moest betekenen, was niet helemaal duidelijk en er ontstond een uitgebreid politiek debat over. Wel was meteen helder dat vrouwen hier in elk geval niet onder vielen. Dat stond uitdrukkelijk in de grondwet vermeld.

In 1892 deed minister van Binnenlandse Zaken Tak van Poortvliet een voorstel om alle mannen die konden lezen en schrijven en niet te arm waren, kiesrecht te geven. Maar dat riep veel weerstand op. Tak paste daarop zijn voorstel aan: de kiezer moest een vaste woning hebben.

Maar ook dat ging de meerderheid van de politici nog veel te ver. Want ook éénkamerwoninkjes, allemaal arbeiderswoningen, vielen hieronder. En dat betekende dat in één klap een grote groep arbeiders stemrecht zou krijgen, iets wat de conservatieve politici niet bepaald zagen zitten. Tak trad om de kwestie af.

Uiteindelijk stelde de kieswet van 1896 dat het begrip 'geschikt' afhing van factoren als: belasting, loon of pensioen, spaargeld, huurwaarde van je woning en behaalde diploma's. In de praktijk bleek dat hiermee de toename van het aantal kiezers door geschiktheid heel gering was. Maar zo'n veertien procent van de volwassen bevolking had nu kiesrecht.

Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.