Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

Vlaggetjesdag in Scheveningen

Rapporteer deze inhoud als ongepast

Op de jaarlijkse vlaggetjesdag wordt in Scheveningen het eerste tonnetje nieuwe haring geveild. Die haring is aan boord al verwerkt, met hulp van een middeleeuwse techniek.

Daar zit je dan, midden op zee met het ruim vol haring. Maar hoe houd je al die vis vers tot in de haven? Daar hadden die slimme middeleeuwers in de veertiende eeuw al een goede oplossing voor bedacht: het haringkaken.

De vissers snijden het hart, de kieuwen en een stukje darm uit de vis. De alvleesklier laten ze zitten: die moet de vis verder laten 'rijpen'. Daarna gaat hij in een ton met zout: de Nieuwe Haring is geboren. In Nederland wordt Willem Beukelszoon, die rond 1312 in Zeeuws-Vlaanderen leefde, vaak als de uitvinder beschouwd, maar waarschijnlijk gaat het gebruik verder terug.

Rond 1400 worden vissersschepen groter: op nieuwe 'haringbuizen' kan de vis al aan boord worden gekaakt en bewaard. Dat leidt tot een bloeiperiode in de visvangst, waar steden als Amsterdam, Enkhuizen en Vlaardingen van profiteren.

In de achttiende eeuw ligt de haringvangst door oorlog een tijd stil, maar vanaf 1850 wordt er volop haring binnengebracht in havens als Scheveningen.

Daar wordt vanaf 1947 jaarlijks 'Vlaggetjesdag' gevierd. Die dag is niet genoemd naar de vlaggetjes op de haring zelf, maar naar een gebeurtenis uit 1781. Toen 'vlagden' de vissers bij hun vertrek uit de haven stadhouder Willem V vaarwel, die altijd naar de bootjes kwam kijken: 'De vorst kwam aan den oever der baaren. Om de schuitjes daar te zien, Die haar vlaggen ook lieten waaien, zeer net en deftig alle tien.'

Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.