Het verdwenen pensioen
In de jaren dertig verloren pensioenfondsen flink op hun beleggingen. Daarna werden de fondsen tijdelijk verplicht voorzichtiger te beleggen.
J.C. van Marken, eigenaar van de Delftse Gist- en Spiritusfabriek, was in 1880 de eerste baas die een pensioen regelde voor zijn werknemers. Hij was een sociaal bewogen man, maar er zat ook wat eigenbelang aan vast: hij dacht dat zo’n regeling de arbeiders aan zijn fabriek zou binden.
Veel bedrijven volgden zijn voorbeeld en boden arbeiders een pensioenverzekering aan. Vanaf 1919 konden ook niet-arbeiders via de Rijksspaarbank een pensioen afsluiten. Toch hadden in 1928 30.000 bejaarden geen pensioen. Zij leefden in armoede en waren afhankelijk van steun van familie.
Veel pensioenfondsen belegden al snel een deel van hun geld in aandelen. In de jaren dertig ging dat mis, toen de beurzen wereldwijd instortten. Het pensioenfonds van Philips bevroor in 1931 de pensioenen, omdat de geldreserves waren verdampt. Maar het kon ook slechter aflopen. Zo bleek in 1935 het pensioenfonds van de Koninklijke Lloyd na een overname te zijn verdwenen. De werknemers konden fluiten naar de twee miljoen gulden die ze samen hadden gespaard.
Al snel wilde de politiek ingrijpen, maar door de Tweede Wereldoorlog werd pas in 1952 de Pensioen- en spaarfondsenwet ingevoerd. Voortaan moesten fondsen de uitkering van pensioenen garanderen. Ook werd het toezicht op hun beleggingen verscherpt. Tot de jaren negentig belegden de pensioenfondsen alleen in veilige staatsaandelen, maar onder druk van werkgevers verruilden ze die steeds vaker voor bedrijfsaandelen. Dat leverde veel op, maar de risico's zijn groter, zo blijkt na de economische crisis van 2008.
Bijdragen
Reacties
Loading…
Jacques
Philips
Zoeken naar items op Europeana