Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Tijd van steden en staten

1000 - 1500

Rapporteer deze inhoud als ongepast
1000 – 1500
/

De rijkste en machtigste gebieden liggen aanvankelijk in de zuidelijke Lage Landen, in Vlaanderen en Brabant. Ze verwerven welvaart en aanzien door handel op Engeland en Italië. Het graafschap Holland wordt na het jaar 1000 steeds belangrijker. Zee- en riviervaart brengen geld en dus macht voor gebiedsuitbreiding.

In de Lage Landen begint men met allerlei grote werken om het water te beheersen met sloten en dijken. De landbouw kan zich hierdoor uitbreiden in polders. Vanaf dit moment komen grote delen van Nederland min of meer blijvend onder de zeespiegel te liggen - een waterstaatkundig wonder waarmee Nederland nog steeds opvalt in de wereld. De strijd tegen de zee legt de basis voor een gemeenschappelijk waterbeheer als een vroege vorm van democratie. Hierin wordt vaak het begin gezien van het 'poldermodel'.

De steden in de noordelijke Nederlanden gaan vanaf 1200 ook groeien. Diverse steden, waaronder Kampen, Zwolle, Zutphen en Deventer, raken betrokken bij een machtig internationaal verbond van handelssteden, de Hanze. Vele tientallen steden aan en bij de Oostzee en Noordzee werken hierin samen.

Vanaf 1300 gaat het steeds beter met de economie van het gewest Holland. Steden als Dordrecht, Delft, Leiden en Haarlem worden snel groter en rijker. Pas later, in de loop van de vijftiende eeuw, komt Amsterdam op, om uit te groeien tot de machtigste stad van Holland.

De steden zijn langzamerhand machtig genoeg om zich vrijer op te stellen tegenover adel en vorst. Vandaar het gezegde 'stadslucht maakt vrij'.

In de steden komen steeds meer burgers (kooplieden en ambachtslieden) die burgerrecht verwerven, waardoor ze kunnen toetreden tot een gilde (een organisatie van beroepsgenoten). Voor veel vrouwen leidt dit tot verdringing uit het openbare leven. Beroepen als bakker, bierbrouwer en wever kunnen zij niet meer uitoefenen, omdat zij niet tot de gilden worden toegelaten.

De graven, hertogen en bisschoppen in de Lage Landen krijgen omstreeks 1400 te maken met de hertogen van ((14464| Bourgondië), uit Oost-Frankrijk. Stap voor stap brengen zij verschillende Nederlandse gewesten onder hun gezag, deels door een uitgekiende huwelijkspolitiek, deels door verovering van gebieden.

Vanaf 1464 bespreken de noordelijke 'Bourgondische' gebieden hun gezamenlijke belangen in een algemene vergadering van gewestelijke heersers, de Staten-Generaal. Omstreeks 1540 heeft Karel V (1500-1558), als erfgenaam van zowel de Bourgondische hertogen als de Habsburgse (Duitse) keizers, zeventien adellijke titels in de Lage Landen in handen. Deze Karel V, koning en keizer over grote delen van Europa, behandelt de Nederlanden min of meer als een eenheid, los van zijn Duitse gebieden. Hoewel het allemaal heel anders had kunnen lopen, ligt hier toch het begin van een staat die ruwweg het gebied bestrijkt van het huidige België en Nederland.

Dit is hoofdstuk 4 uit Kortweg Nederland, een uitgave uit 2005 van Anno en NRC Handelsblad.

Ga naar de inhoudsopgave Ga terug naar hoofdstuk 3 Ga door naar hoofdstuk 5
Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.