Tijd van regenten en vorsten
1600 - 1700
De oorlog van tachtig jaren (met een twaalfjarig bestand tussen 1609 en 1621) gaat vooral om het veroveren van steden, waarvan enkele, zoals Breda, een paar keer van bezit wisselen. Uiteindelijk sluiten Spanje en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, ruwweg driekwart van het huidige Nederland, in 1648 de Vrede van Munster.
Met
De Republiek krijgt definitief erkenning als zelfstandige staat. De Munsterse vrede is onderdeel van een grote Vrede van Westfalen, het einde van bloedige godsdienstoorlogen in Europa en de eerste grote ordening van de internationale verhoudingen in dit werelddeel.
In de Republiek speelt de Gereformeerde Kerk al decennia een belangrijke rol. In 1618 en 1619 stelt deze kerk, in opdracht van de Staten-Generaal, op de Synode van Dordrecht de inhoud van het 'ware geloof' vast. Er komen leerregels die alle calvinisten moeten accepteren. In Dordrecht valt ook het besluit tot een officiële Nederlandse vertaling van de bijbel, de Statenbijbel. Deze vertaling krijgt invloed op de ontwikkeling van een Nederlandse eenheidstaal.
De nieuwe bestuurders handhaven 'gewetensvrijheid'. Dit wil zeggen dat andere religies niet verboden zijn, mits ze zich buiten de openbaarheid houden. Ze moeten onopvallend, in zogenoemde 'schuilkerken', hun geloof belijden. Dit geldt zowel voor katholieken (ongeveer de helft van de bevolking) als voor protestanten buiten de Gereformeerde Kerk. De vrijheid van godsdienst is hiermee echter wel groter dan elders in Europa, waardoor de Republiek als tolerant bekend komt te staan. Sindsdien beschouwen Nederlanders dit als een nationale deugd. In de Republiek verschijnen ook veel boeken die elders verboden zijn, van filosofie tot pornografie.
Het land is in deze periode opvallend rijk en daardoor machtig. Met geld zijn immers legers in te huren en vloten uit te rusten. De Republiek kan hierdoor een belangrijke rol in Europa spelen.
De rijkdom neemt nu ook snel toe. De economie groeit krachtig, door winstgevende handel in de Oostzee, maar ook door de ontwikkeling van de handel op Azië. In 1602 gaan kooplieden samenwerken in de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Er komen kantoren in Kaapstad, Deshima (in Japan), Ceylon (nu Sri Lanka) en Nederlands-Indië (nu Indonesië). De handel in specerijen (kruiden) levert veel geld op. Later wordt ook een West-Indische Compagnie (WIC) gesticht, die onder andere negerslaven uit West-Afrika naar Zuid-Amerika laat vervoeren om te werken op suikerplantages.
De wortels van honderdduizenden huidige Nederlanders liggen daardoor in 'Oost-Indië' (Indonesië) en 'West-Indië' (Suriname, Antillen).
De handel overzee wordt krachtig ondersteund. De Republiek investeert fors in een sterke vloot. De krijgsgeschiedenis van de Republiek is vol van zeeslagen en zeehelden, zoals Michiel Adriaensz. de Ruyter (1607-1676). De zeehelden worden na hun dood geëerd met opvallende grafmonumenten in de stadskerken. De geleerde Hugo de Groot (Grotius, 1583-1645) legt de basis voor internationale rechtsregels die nog altijd zijn terug te vinden in het volkenrecht en zeerecht.
In de zeventiende eeuw floreert de cultuur. Dankzij opdrachten van rijke burgers komt de schilderkunst tot grote bloei. Werken van Hollandse meesters als Rembrandt van Rijn (1606-1669) en Johannes Vermeer (1632-1675) trekken nog altijd drommen kunstliefhebbers uit de hele wereld.
Ook de wetenschap ontwikkelt zich snel, vooral als die praktisch toepasbaar is. Dat geldt onder meer voor de lenzen die Antonie van Leeuwenhoek (1632-1723) slijpt voor microscopen en voor het slingeruurwerk van de astronoom en natuurkundige Christiaan Huygens (1629-1695).
Nederland komt bekend te staan als een land van molens, die graan malen, grote meren leegscheppen, hout zagen en zaden uitpersen. De mechanisatie van de economie neemt hiermee een aanvang. Dankzij deze veelzijdige bloei in economie en cultuur gaat deze periode de geschiedenis in als de Gouden Eeuw.
Opvallend is dat Nederland in deze tijd, net als Venetië, een republiek is. In de grote Europese buurstaten vestigen koningen dan juist hun absolute macht, zoals 'zonnekoning' Lodewijk XIV (1638-1715) in Frankrijk.
In de Republiek kent elk gewest een stadhouder. Vaak, maar niet altijd, is hij een Prins van Oranje. Van oorsprong treedt de stadhouder op als plaatsvervanger van de landsheer, maar in de gewesten van de Republiek is hij in dienst van de Staten, onder meer als aanvoerder van leger en vloot. Deze Staten zijn bestuurscolleges met vertegenwoordigers van de adel ('ridderschappen') en de steden. Tezamen vormen zij in Den Haag de Staten-Generaal.
De stadhouder moet zijn macht met de regenten (stads- en gewetbestuurders) delen, wat regelmatig tot conflicten leidt. Het eerste grote conflict heeft een dramatische afloop. In 1619 wordt de landsadvocaat (hoogste ambtenaar) van Holland, Johan van Oldenbarnevelt (1547-1619), na een godsdienstig en politiek conflict met stadhouder Maurits (1567-1625), ter dood veroordeeld. Een beul onthoofdt hem op het Binnenhof.
Soms worden de Oranjes uitgesloten van het bestuur, in zogenoemde 'stadhouderloze tijdperken' waarin de regenten het bewind alleen uitoefenen. In andere perioden nemen Oranjes het bestuur bijna helemaal over, zoals in het rampjaar 1672, wanneer de Republiek van vier kanten wordt aangevallen. De aanhangers van stadhouder Willem III (1650-1702) houden de regenten verantwoordelijk voor deze tegenslag. Een woedende menigte vermoordt in Den Haag de machtige raadpensionaris Johan de Witt (1625-1672) en zijn broer Cornelis.
Oranje zal Nederland regelmatig verbinden én verdelen. Pas in de twintigste eeuw bereikt deze familie een onaantastbare positie als symbool van nationale eenheid.
Dit is hoofdstuk 6 uit Kortweg Nederland, een uitgave uit 2005 van Anno en NRC Handelsblad.
| Ga naar de inhoudsopgave | Ga terug naar hoofdstuk 5 | Ga door naar hoofdstuk 7 |
Bijdragen
Reacties
Laden...
Michiel
Johan
Stadhouder
Maurits
Johan
Antoni
Christiaan
Johannes
Rembrandt
Hugo
Jan
Elisabeth
Zoeken naar items op Europeana