Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

Vieze voorouders

Rapporteer deze inhoud als ongepast

Echt schoon waren onze voorouders niet. Dat was geen onwil, maar het was gewoon niet zo eenvoudig om dagelijks uitgebreid te badderen.

Als ze eenmaal per week in bad gingen, dan was dat al heel wat. Water moest verwarmd worden in een ketel, de tobbe gevuld en daarna moest het hele gezin zo snel mogelijk achter elkaar even poedelen. Dan was een badhuis in de stad wel zo handig.

De uitvinding van op gas werkende geisers veranderde dat. Na de Tweede Wereldoorlog kregen huizen steeds vaker een aparte badruimte, met een lavet. Iedereen kon voortaan thuis in bad. Een wc hadden de meeste woningen toen al. Dit was mogelijk geworden, omdat rond 1900 steeds meer steden een waterleiding en rioleringsnetwerk kregen. Bewoners hadden sindsdien stromend water in huis en hoefden daarvoor niet meer naar de pomp. De sjiekste huizen kregen nu ook doorspoelbare waterclosetten.

Het toilet was natuurlijk niet helemaal nieuw. Poepen en piesen moest je voor die tijd ook. Dat deed je op een gemak: een houten plank met een ton daaronder. Niet iedereen had plek voor een eigen ton, waardoor veel arbeidersgezinnen er samen één deelden. Zo'n ton werd een paar maal per week opgehaald en geleegd door de zogenaamde 'odeklonjewagen'. De stank moet ondraaglijk zijn geweest.

Toch was dit al een verbetering vergeleken met de periode daarvoor. Toen poepte je buiten, of binnen op een po. De inhoud werd zo snel mogelijk naar buiten gegooid, waar het in een beerput, op straat of in de grachten terechtkwam. Dat stonk niet alleen, maar het was ook heel ongezond. Ziektes als cholera braken regelmatig uit.

Bijdragen 
Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.