Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

}"} Verhaal

Jackpot van 1.140 gulden in 1596

Rapporteer deze inhoud als ongepast
22 augustus 1596
/

Op 22 augustus 1596 luidden de klokken in Leiden. Jan Adriaensz. had de hoofdprijs van de Leidse loterij gewonnen: een zilveren bokaal en 1.140 gulden!

Loterijen waren vanaf de zestiende eeuw een populaire manier om geld in te zamelen. Het geld kwam terecht bij de overheid of bij goede doelen als gasthuizen en weeshuizen. De prijzen waren natuurlijk om te smullen. De prijs van 1.140 gulden plus een zilveren bokaal die Jan Adriaensz. in 1596 in Leiden won, lijkt niet zo groot. Toch was het vijf keer zijn jaarsalaris!

Deelnemers betaalden een paar stuivers en lieten hun naam op een lot schrijven, soms samen met een kort versje. Zo vertelde Marijtje Pieters bij een loterij voor het Schiedamse weeshuis dat zij vooral met het goede doel begaan was. Omdat zij zich 'gul had getoond', werd zij vast 'nu of in het hiernamaals met de hoogste prijs geloont.' Een andere deelneemster had minder nobele motieven en rijmde: 'Maritje van Ouwerkerck was graag rijk sonder werck.' Hun mooie versjes mochten niet baten. Beide dames wonnen niets.

Een loterijtrekking kon weken of zelfs maanden duren. De duizenden loten kwamen in een grote mand terecht. In een andere mand zaten evenzoveel briefjes: enkelen met een prijs en de overigen met een 'niet'. De organisator trok briefjes uit de twee manden en las beide voor. Als het nodig was, ging de trekking 's nachts door op een met fakkels verlicht podium. De volksfeesten die hierbij ontstonden, liepen soms uit de hand. Bij een Amsterdamse loterij in 1591 mochten de toeschouwers geen sneeuwballen meer naar het podium werpen en ook het gooien van modder, vuil en stenen was niet toegestaan.

Bijdragen 
Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.