Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

De Conventie van Genève

Oprichting Rode Kruis

Rapporteer deze inhoud als ongepast

De Geneefse Conventie probeert sinds 1864 de behandeling van niet-strijdende partijen in oorlogen te regelen.

De Geneefse Conventie (conventie = vergadering) is een serie afspraken tussen landen om menselijk om te gaan met slachtoffers, krijgsgevangenen en omstanders in tijden van oorlog. Soldaten mogen elkaar op het slagveld doden, maar als een soldaat zich overgeeft, moet hij goed worden verzorgd en mag hij niet worden gemarteld. Voor andere niet-strijdende partijen geldt hetzelfde. Overtreedt een land deze afspraken, dan kan het worden vervolgd door het Internationaal Strafhof in Den Haag.

De achtergrond van de Conventie ligt in de negentiende eeuw. Een veldslag bij het Italiaanse Solferino in 1859 was voor de Zwitser Henri Dunant aanleiding zich in te gaan zetten voor gewonden in oorlogstijd. In 1863 richtte hij daarvoor het Rode Kruis op en in 1864 werd de eerste Geneefse vergadering gehouden. Zestien landen maakten de afspraak om in geval van oorlog elkaars gewonden goed te verzorgen en om het Rode Kruis op het slagveld toe te laten om te helpen.

In de loop van de tijd werd de conventie verder uitgebreid met regels over behandeling van de burgerbevolking. Er kwam een verbod op het nemen van gijzelaars, willekeur bij arrestatie of het wreed behandelen van gevangenen.

Sinds 1977 worden conflicten waarin geen soldaten worden ingezet (denk bijvoorbeeld aan de Palestijnse opstand) op dezelfde manier beoordeeld als traditionele gewapende conflicten. Alle 'strijders', of het soldaten zijn of niet, vallen sindsdien onder de Geneefse Conventie.

Bijdragen 
Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.