Van fabriek naar school
Kinderarbeid en leerplicht
Tot in de negentiende eeuw werkten de meeste kinderen. Dat vond niemand een probleem. Met de industrialisatie veranderde die houding.
De Leidse Heintje 'schreeuwt en kromt van de pijn'. Deze jongen werkte in 1863 in een stoomspinnerij, samen met veel andere kinderen. J.J. Cremer bezocht deze fabriek en schrok van de omstandigheden. Hij zag er kindergezichten die 'flets van kleur en slap van vormen' waren. Dit kon zo niet langer. Cremer vond dat kinderarbeid verboden moest worden. Veel tijdgenoten waren het met hem eens.
De regering wilde kinderarbeid niet afschaffen, dat moesten ondernemers zelf maar beslissen. Wel konden kinderen beter naar school gestuurd worden dan naar de fabriek. Liberaal kamerlid Samuel van Houten schreef een wetsvoorstel. De Tweede Kamer ging daar in 1874 zonder enthousiasme mee akkoord.
Kinderen onder de twaalf jaar mochten niet meer in fabrieken werken, maar nog wel op andere plaatsen. En, niet onbelangrijk, de leerplicht ging niet door. Arme kinderen bleven aan het werk. De wet stond dan ook al snel bekend als het Kinderwetje, 'waar bitter weinig van over bleef.'
Pas met de Leerplichtwet van 1901 verdween de kinderarbeid. Kinderen moesten nu van hun zevende tot hun twaalfde naar school en kónden zo niet meer werken. Die wet was er trouwens bijna niet gekomen. Bij de stemming waren 99 van de 100 kamerleden aanwezig; tegenstander baron Schimmelpenninck van de Oye was er niet. Hij was van zijn paard gevallen en lag ziek op bed. Het ongeluk gaf de doorslag, want er stemden 50 leden voor en 49 tegen.
Bijdragen
Reacties
Loading…
Samuel
Jan
Jan
Karlien
Jasper
Zoeken naar items op Europeana