Dienstbodes
Rond 1900 hadden veel gegoede huishoudens één of meerdere dienstbodes. De meisjes woonden op zolder, waar het soms bitter koud kon zijn.
Kinderen uit grote arme gezinnen gingen vroeger al op jonge leeftijd van school. De jongens gingen naar de fabriek, de meisjes zochten een baantje als dienstbode. Voor veel meisjes betekende dit verhuizen, soms zelfs naar de andere kant van het land.
Dienstbodes woonden in de keuken, waar ze aten en hun vrije tijd doorbrachten. Ze sliepen meestal op zolder. 's Zomers was het er snikheet. In de winter werden de vrouwen wel eens wakker met een laagje ijs op de dekens. Het hele jaar door hing er was op zolder te drogen, zodat het er ook erg vochtig kon zijn.
Werkdagen van twaalf uur waren geen uitzondering. Vloeren schrobben, matten kloppen en koper poetsen: het hoorde er allemaal bij. Bep Glimmerveen (1898) ging zelfs mee op vakantie: zes weken met de familie naar zee om daar voor de kinderen te zorgen.
Veel meisjes met een 'dienstje' waren liever op school gebleven, zo ook Maartje van der Most (1899). 'Ik moest gaan werken. Ik heb 's nachts liggen huilen. Ik had zo graag door willen leren.'
Toch had het bestaan als dienstbode ook voordelen. Je leerde het huishouden in de praktijk en je genoot kost en inwoning, zodat je kon sparen voor je uitzet. En als je dan achter in de twintig was, kon je eindelijk de dienst verlaten, trouwen en een eigen huishouden beginnen.
Bijdragen
Reacties
Loading…
Zoeken naar items op Europeana