Overleven zonder WW
In 1896 had de Fries Jan Willem van der Wal geen werk. Hij en zijn zoon Durk trokken van dorp naar dorp voor een stuk brood van de armenzorg. Dat kregen ze, op voorwaarde dat ze dat dorp meteen weer verlieten.
Wie geen werk had, was aangewezen op de vernederende armenzorg. Die hulp was lokaal geregeld door kerken en liefdadigheidsinstellingen. De overheid hielp niet. Eind negentiende eeuw zetten vakbonden de eerste vormen van werkloosheidsuitkeringen op. Die regelingen waren vaak amateuristisch: zodra het geld op was, stopte de uitkering.
Toen tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914 – 1918) grote werkloosheid dreigde, moest de overheid wel bijspringen: de kleine fondsen konden de stroom werklozen niet meer aan. Zo kreeg de Haagse Henk Bruin per maand 6 gulden 20 om zijn vrouw en drie kinderen te onderhouden. Maar meteen na de oorlog trok de overheid zich weer terug: de organisaties moesten zichzelf weer redden. Dat was moeilijk, in de zware jaren tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
Pas na die laatste oorlog veranderde alles: er kwam een door de overheid verplichte werkloosheidsverzekering. Iedereen die onvrijwillig werkloos was, kreeg voortaan WW. Omdat die wetgeving veel kostte, is hij al vaak herzien. Zo werd de uitkering tijdens de werkloosheidspiek halverwege de jaren tachtig flink verlaagd.
Bijdragen
Reacties
Loading…
Jan
Zoeken naar items op Europeana