Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

Lage opkomst bij Europese verkiezingen

Rapporteer deze inhoud als ongepast

Bij de eerste Europese verkiezingen in 1979 waren de Nederlandse kiezers moeilijk enthousiast te krijgen.

Op 7 juni 1979 konden Europeanen voor het eerst direct stemmen op leden van het Europarlement. De Nederlandse politieke partijen deden hun best om kiezers naar de stembus te lokken. Het CDA had een verkiezingstrein, de VVD een verkiezingsdubbeldekker. Jan Terlouw van D66 verplaatste zich zelfs in een heteluchtballon.

Ook de kritische PSP (Pacifistisch Socialistische Partij) voerde campagne met de leus ’Nederland moet uit de EEG!’. Lijsttrekker Kalma noemde Europa in Trouw „een griezelig instituut. Democratisch? Ja-an-me-hoela!”

De televisie besteedde veel aandacht aan de Europese verkiezingen. Mensen als Neelie Kroes en Wim Duisenberg discussieerden in televisiefora over milieu, werkgelegenheid en over de noodzaak van een Europees energiebeleid. Op de dag van de verkiezingen presenteerde Mies Bouwman een speciale NOS-Eurokwis, waarbij een schattig kinderkoor zong: „Eén Europa, doodnormaal, één Europa voor ons allemaal!”

De verwachting was dat 70 tot 80 procent van de Nederlandse kiezers zou stemmen. Maar die hoop kwam niet uit. De opkomst bleef steken op 58 procent, de laagste opkomst sinds de afschaffing van de stemplicht in 1970.

’Euro-stembus laat Nederlanders koud’ kopte De Telegraaf de dag na de verkiezingen. Vooral jongeren bleven weg. Het CDA en de PvdA trokken nog de meeste stemmen.

De Nederlandse opkomst van 1979 was achteraf gezien nog extreem hoog voor een Europese verkiezing. Het dieptepunt vormden de verkiezingen in 1999. Toen kwam slechts 29 procent van de Nederlandse kiezers opdagen.

Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.