De IRT-affaire: een crisis in de opsporing
De IRT-affaire kostte in 1994 twee ministers de kop. Geheime politieacties kwamen ineens vol in de schijnwerpers te staan.
'Een cowboy-korps', zo werd het Interregionaal Recherche Team (IRT) Noord-Holland/Utrecht genoemd. Dit team bestond uit rechercheurs van verschillende politiekorpsen en was begin jaren '90 opgezet om grip te krijgen op de zware criminaliteit.
In 1993 raakte het in opspraak omdat rechercheurs er soms wel heel vreemde opsporingsmethoden op nahielden. Om een drugsnetwerk in kaart te brengen mochten informanten containers met drugs 'gecontroleerd' invoeren en de miljoenenwinsten houden om zo de schijn bij de drugsbazen op te houden.
Oktober 1993 bleek dat deze zogenaamde delta-methode uit de hand was gelopen. Er zouden al meer dan 65 containers met duizenden kilo's drugs door verschillende politiediensten zijn doorgelaten. Van veel van de drugs was onbekend waar ze terecht kwamen. Ook wisten politiediensten en het Openbaar Ministerie vaak niet van elkaars werkzaamheden. Een interne ruzie over deze dingen leidde tot het opheffen van het IRT-team in december 1993.
Ook de Tweede Kamer raakte in rep en roer. Er werden twee minsters vanwege de affaire de laan uitgestuurd: Ernst Hirsch Ballin van Justitie en Ed van Thijn van Binnenlandse Zaken. In december 1994 werd een 'parlementaire enquĂȘtecommissie opsporingsmethoden' ingesteld om de zaak uit te zoeken.
De conclusies van de 'commissie-Van Traa' waren keihard: er was sprake van een crisis in de opsporingsdiensten waardoor de politie zich teveel met criminele zaken had bemoeid. Nieuwe wetten maakten aan deze praktijken een eind.
Bijdragen
Reacties
LoadingâŠ
Ed
Ernst
Jan
Zoeken naar items op Europeana