Recht op vrije tijd
Met de Arbeidswet van 1919 kregen Nederlanders opeens recht op vrije tijd. Een hele verandering: tot dan toe was een dagje vrij een uitzonderlijke gunst van de werkgever.
-
Zomerstrand aan de Prins Hendrikkade, 1947
Foto: Ben van Meerendonk/AHF, collectie Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Vroeger was vrije tijd iets voor de rijken. Zij verbleven dagen aan zee, bijvoorbeeld in het chique Kurhaus in Scheveningen, of ze maakten culturele uitstapjes naar Parijs of Rome. Rond 1900 kregen ook ambtenaren en schoolmeesters wel eens een weekje vakantie. Voor alle anderen bleef een vrije dag een gunst, zeker geen recht. Dat stond zelfs zo in de arbeidscontracten.
De socialisten maakten zich hier kwaad over. De meeste werknemers werkten hele lange dagen en konden nooit eens lekker uitrusten. Terwijl iedereen in de ogen van de socialisten recht zou moeten hebben op wat vrije tijd. Daarmee bedoelden ze niet eens in de eerste plaats vakantie, maar vooral een kortere werkdag: niet meer dan acht uur.
Dat het zo lang duurde voordat iedere Nederlander recht kreeg op vrije tijd lag aan de burgerij. Die dacht dat de arbeider misbruik zou maken van zijn vrije tijd. Want door een gebrek aan beschaving zou de nietsdoende arbeider maar gaan drinken en andere 'onzedelijke dingen' gaan doen. Zo bang waren de gegoede burgers, dat ze dachten dat vrije arbeiders de hele maatschappelijke orde zouden ondermijnen.
Eindelijk, in 1919, werd vrije tijd een recht. In dat jaar nam de Tweede Kamer de Arbeidswet aan. Deze regelde een acht-urige werkdag, de vrije zaterdagmiddag èn een vrije zondag. In hun strijd kregen de socialisten steun van de Christenen. Zij vonden het vooral belangrijk dat de arbeiders op zondag tijd hadden naar de kerk te gaan en stemden daarom voor. Vrije vakantiedagen kwamen pas veel later.
Bijdragen
Reacties
Loading…
Zoeken naar items op Europeana