Filmcensuur voor behoud van de ‘goede zeden’
Films werden in de 20e eeuw door allerlei commissies gekeurd, en hier en daar werden te gewaagde scènes verwijderd.
Al in 1909 waarschuwde het Katholiek Sociaal Weekblad voor de gevaren van de film. Nederland moest oppassen dat niet ’zeer vele voorstellingen het geestelijk en zedelijk leven van de jeugd vergiftigen’.
Tussen 1914 en 1918 steeg het aantal bioscoopbezoekers met tien tot twintig procent per jaar. Juist door deze stijging groeiden de zorgen over de invloed van films op de goede zeden. Steden als Leiden, Amsterdam en Den Haag richtten begin jaren twintig eigen stadscommissies op, de Commissies van de Heeren genoemd, die een geschikte leeftijd voor films vaststelden.
Zo werd Charlie Chaplins 'The Kid' in 1922 niet geschikt geacht voor jongeren onder de zestien, omdat in de film een raam sneuvelde. Dat zou de jeugd op ’ideeën van stoutheid’ kunnen brengen.
De Katholieke Film Centrale, opgericht in 1929, ging verder dan alleen een leeftijdsadvies. Volledige scènes werden uit films geknipt en de Centrale stelde een lijst samen van verboden films. En hoewel ook gereformeerden en socialisten bezwaren hadden tegen bioscoopbezoek, hielp het allemaal niet veel. De bezoekersaantallen bleven groeien in de jaren twintig en dertig.
Eind jaren zeventig was het voor de net opgerichte Nederlandse Filmkeuring, de opvolger van de in 1928 opgerichte Centrale Commissie voor de Filmkeuring, niet langer mogelijk om films te verbieden. De keuring registreerde agressie en geweld in films en gaf leeftijdsadvies.
Van censuur en scènes verwijderen was toen geen sprake meer. Maar het aantal bioscoopbezoekers daalde en bleef dalen, toen vanaf de jaren tachtig ook thuis films konden worden gekeken.
Bijdragen
Reacties
Loading…
Zoeken naar items op Europeana