Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

Werkloos in de jaren dertig, wat nu?

Rapporteer deze inhoud als ongepast

Als je werkloos was in de jaren dertig schoot de overheid te hulp. Maar het werd de werklozen zeker niet makkelijk gemaakt.

“Van de steun kon je net in leven blijven, maar het was uiterst karig”, vertelt historicus Piet de Rooy, die onderzoek deed naar werkloosheid tijdens de crisisjaren. De Rooy beschrijft het leven van een steuntrekker in die tijd: “Om voor een uitkering in aanmerking te komen moest je twee keer per dag in de rij staan om te stempelen, zodat je niet stiekem zwart kon werken. De rest van de dag had je niet veel te doen, want je had nergens geld voor.

Je kon een beetje rondlopen, maar niet te veel, want dan sleten je schoenen te hard. In de klein behuisde gezinnen nam de irritatie toe omdat de man de hele dag thuis was en ouder wordende kinderen ook geen baan konden vinden.”

Op straat, thuis; overal werden werklozen in de jaren dertig gecontroleerd op steunfraude. ‘Zo mevrouw, kunt u van de steun nog naar de film, kan dat er nog af?’, kreeg een werkloze vrouw in de jaren dertig van een steuncontroleur te horen. Dat haar buren haar bioscoopkaartje hadden betaald, wilde de controleur niet geloven. De steun van de vrouw werd een week lang ingehouden.

Mensen die in de werkverschaffingsprojecten van de overheid werkten hadden het vaak niet veel beter, aldus De Rooy: "Veel industrie- en kantoorarbeiders konden nog geen schep vasthouden. Het was een marteling voor hen: ze kregen rugpijn en kapotte handen. Ze verdienden vaak iets meer dan ze aan steun kregen. Maar ze aten ook veel meer, want van spitten krijg je honger."

Als er al geld voor genoeg eten was, was het nog geen feestmaal. "Het voedsel was erg eentonig", zegt De Rooy. "In de tweede helft van de jaren dertig raakten sommige mensen dan ook ondervoed."

Bijdragen 
Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.