Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal

De strijd om de Sont

Nederland tegen Zweden

Rapporteer deze inhoud als ongepast

Met een vol ruim voeren de Hollandse handelsschepen heen en weer tussen Amsterdam en de Oostzee. Dat betekende dus goede zaken voor de Republiek, die er dan ook alles aan deed deze handel te beschermen.

De Nederlandse handel met steden aan de Oostzee, zoals Riga en Gdansk, zag staatsman Johan de Witt als basis van de economische bloei. Hij noemde het daarom de 'moedernegotie' (negotie=handel). Via zeestraat de Sont voeren de Hollanders met schepen vol met vis en graan naar de Oostzeelanden. Daar verkochten ze hun lading en sloegen op hun beurt grote hoeveelheden hout en graan in, dat ze in Amsterdam doorverkochten aan Franse, Engelse, Portugese en Spaanse handelaren.

Niet alleen de Nederlanders werden rijker van deze gang van zaken. Ook de Denen staken een deel van de winst in hun zak. Zij hadden de Sont in handen en konden dus elke passerende boot om tolgeld vragen. Dit leidde al sinds de Middeleeuwen regelmatig tot oorlog. Omdat de Nederlanders de gevraagde tol te hoog vonden, bijvoorbeeld.

Of zoals in 1658, omdat de Zweedse koning de Sont probeerde in te nemen. De Republiek stuurde onmiddellijk een oorlogsvloot naar het gebied. Niet omdat ze het nou zo zielig vonden voor de Denen, maar om de vrije doorvaart van de handelsvloot veilig te stellen.

Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.