Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Verhaal J.D. Jansen

Belang van Gelderland II

Handel en wandel van douaneambtenaren in Gelders grensgebied ten tijde van de Unie van Verenigde Nederlanden (1579-1795) [ged.]

Deze inhoud is gerapporteerd als ongepast

Over het belang van Gelderland bij het ontstaan, de vestiging en de opbouw van de Nederlandse Statenbond in de 16de, 17de en 18de eeuw.

Vervolg op verhaal: Belang van Gelderland I

Statenbond

Sinds de beurscrisis van 2008 ondervinden we, dat het koninkrijk Nederland steeds meer afhankelijk wordt van het buitenland, want de gevolgen van internationale problemen kunnen niet meer alleen op nationaal niveau worden bestreden, zodat de macht van de Europese Unie blijft groeien.
Een vergelijkbare situatie heeft zich voorgedaan in de tijd van de Unie van Verenigde Nederlanden (1579-1795), wanneer het provinciaal gezag van de afzonderlijke gewesten noodgedwongen steeds meer beleidszaken overlaat aan het overkoepelende gezag van de Staten Generaal in de Statenbond.
Toch is er een wezenlijk verschil aan te wijzen, omdat het ontstaan van een Verenigd Europa onlosmakelijk is verbonden met de traditionele vete tussen Frankrijk en Duitsland, waaronder de omringende landen te lijden hebben gehad en waarvoor na de Tweede Wereldoorlog een vreedzame oplossing is gevonden.
Het ontstaan van de Nederlandse Statenbond kan niet worden losgezien van het streven naar het verdrijven van het eenhoofdige koninklijk gezag van de Spaanse tirannie (vgl. het Wilhelmus) om dit te vervangen door een meerhoofdig bestuur met vertegenwoordigers van historisch gegroeide belangengroeperingen (Staten).

Oorlog

Het ongestructureerde verzet tegen Spaanse overheersing kent een onzekere beginfase (1566/68-1572) tot de inname van het Zuid-Hollandse havenstadje Den Brielle (1572), wanneer opstandelingen zich vestigen in op de Spanjaarden bevrijd gebied, dat in korte tijd de kustprovincies Holland en Zeeland omvat.
Binnen enkele jaren groeit dit kustgebied uit tot een verbond van opstandige provincies en steden, verenigd in de Unie van Utrecht (1579), al wordt het gestructureerd verzet tegen Spaanse overheersing zwaar op de proef gesteld met de gewelddadige dood van hun leider stadhouder Willem I de Zwijger (1584).
Door het beheren van een eigen grondgebied met zelfbestuur over de hier aanwezige bevolking (binnenland) en het verlaten, niet het afzweren, van de voormalige overheid (1581) onderscheiden de opstandelingen zich van het hen omringende buitenland, dat Spaans grondgebied is of tot het Duitse Rijk behoort.
De zuidelijke landsgrens van de jonge nog niet internationaal erkende statenbond met de aan de Spaanse koning trouw gebleven en in de Unie van Atrecht (1579) verenigde zuidelijke provincies van de Nederlanden, wisselt voortdurend en de brede frontlinie lijkt meer op een door beide partijen geplunderd niemandsland.

Financiering

In de van de Spanjaarden bevrijde gebieden is de bevolking gevrijwaard van de gehate Spaanse belastingen, hoewel de voorheen om hun geloof vervolgde protestantse groepen niet overal ongestoord naar de kerk kunnen gaan, terwijl de rooms-katholieken afhankelijk worden van schuilkerken in huizen of schuren.
De nieuwe overheid heft licenten of uitvoerrechten, verbiedt gedeeltelijk de handel met de Spaanse vijand, zoals uitvoer van wapens en voedsel, en gaat over op de heffing van invoerrechten in verband met de financiering van de beveiliging door oorlogsschepen van de doorgaans in konvooi varende koopvaardijschepen.
Deze convoijen en licenten worden geïnd door ontvangers, benoemd door de Staten Generaal, maar al vrij snel in dienst van Admiraliteitscolleges (1583), gevestigd te Vlissingen (Zeeland), Rotterdam, Amsterdam, Enkhuizen dan wel Hoorn, (Holland) of Harlingen (Friesland), ieder met een eigen territorium.
De Admiraliteitscolleges vallen onder het gezag van de admiraal-generaal van de marine, doorgaans de stadhouder van Holland en Zeeland, in feite de opperbevelhebber van de strijdkrachten, omdat hij ook als kapitein-generaal van het landleger functioneert, behalve uiteraard tijdens één van de twee stadhouderloze tijdperken (1650/72, 1702/48).

Economie

Gelderland, Friesland, Holland, Zeeland, Utrecht, Overijssel en Groningen voeren een eigen bestuur (de Staten) en leveren afgevaardigden voor het bestuur van de unie (Staten Generaal), dat tevens de Generaliteitslanden Staats-Vlaanderen, Staats-Brabant, Staats-Gelre, Staats-Limburg én het landschap Drenthe bestuurt.
Iedere provincie betaalt periodiek een vooraf afgesproken aandeel in de kosten van het bestuur van de Unie van Verenigde Nederlanden (quoten), waaraan Holland als rijkste gewest de grootste bijdrage levert, maar ook de andere gebieden blijven verplicht om hun deel bij te dragen aan de staatsfinanciën.
De grootste bedreiging van de bij de Vrede van Münster internationaal erkende unie (1648) vormt de inval van de Franse legers van koning Lodewijk XIV (1672), maar ook de eis van Holland om de bezette landprovincies Utrecht, Overijssel en Gelderland uit te sluiten, door hen de 'status' van generaliteitsgebied te geven.
Economisch zou het een ramp zijn geweest voor de door het oorlogsgeweld en de bezetting getroffen provincies, maar stadhouder Willem III (1672-1702) neemt het op voor de vernederde gewesten, aangezien zijn machtsbasis zou worden aangetast bij de overname van het provinciaal bestuur door de Staten Generaal.

Literatuur

  • Algemene Geschiedenis der Nederlanden. Red. J. Romein e.a. Twaalf Delen. Eerste druk. Utrecht etc., 1949-1958, V, p. 196.
  • P.J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Derde deel. Leiden, 1914, p. 209.
  • F.H.M. Grapperhaus, Convoyen en licenten. Deventer, 1986.

Belang van Gelderland III

Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.