Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

}"} Verhaal

Armoe troef

Crisis in de jaren '30

Rapporteer deze inhoud als ongepast

Vanaf 1929 verkeerde Nederland in een economische crisis. Veel mensen verloren hun baan en leefden in armoede. De regering reageerde passief. 'Afwachten' was het motto. Premier Colijn wilde de 'harde gulden' vasthouden, waardoor de crisis tot 1936 aanhield.

Op 24 oktober 1929 stortte in de Verenigde Staten de beurs in. 'Zwarte Donderdag' had wereldwijd grote gevolgen. Aandelen waren ineens niets meer waard en banken trokken leningen in om zelf uit de rode cijfers te blijven. Het gevolg was een enorme economische crisis, en een golf van werkloosheid omdat bedrijven de lonen niet meer konden betalen.

Ook in Nederland waren de gevolgen merkbaar. In een paar jaar verloren 500.000 Nederlanders hun baan. Op het hoogtepunt van de crisis was een kwart van de Nederlanders werkloos, met alle gevolgen van dien.

Een deel van de Nederlandse werklozen kreeg 'steun' van de overheid: 15 gulden per week voor een gezin. Maar daarvoor moest je wel wat doen. Twee keer per dag moesten mensen zich bij een stempellokaal melden, ook om te voorkomen dat zij zwart gingen werken. De steuntrekkers waren herkenbaar aan hun kleding: roodgerande sokken, kapotte schoenen en gestempeld ondergoed. Mensen schaamden zich hiervoor. Vernederend was ook het snuffelen van controleurs naar 'luxe' artikelen in de woning.

Gedurende de crisisjaren hield minister-president Colijn vast aan de hoge waarde van de nationale munt, de gulden. Producten bleven daardoor duur, terwijl de lonen diep daalden. Pas in september 1936 werd de gulden door de overheid minder waard gemaakt. Prijzen daalden, de handel steeg en de economie klom uit het dal. De 'crisisjaren' waren voorbij, al waren werkloosheid en armoede niet helemaal verdwenen.

Reacties

Voordat je reactie wordt geplaatst, vragen we je je aan te melden.
Velden met een * zijn verplicht.