Tot halverwege de negentiende eeuw hadden ministers weinig te zeggen. Koning Willem I bepaalde in grote lijnen het beleid. De ministers die hij onder zich had, zag hij vooral als adviseurs. Als hij graag iets wilde, schreef hij een koninklijk besluit uit.
Ook zijn zoon Willem II hield de teugels van de staat strak in handen en zag ministers vooral als uitvoerende ambtenaren. Meer invloed voor de Tweede Kamer of de ministers vond hij niet nodig.
In 1848 veranderde de koning zijn standpunt. In diverse landen in Europa waren revoluties uitgebroken en in Frankrijk was de koning zelfs door het boze volk verdreven.
Ook in Nederland was het onrustig, met oproeren in de noordelijke provincies en relletjes in Amsterdam. De onvrede in ons land kwam vooral door de armoede, maar de koning schrok er toch van. Hij wilde nu snel de grondwet herzien om zo een revolutie te voorkomen. De politicus J.R. Thorbecke kreeg van hem het verzoek om een nieuwe grondwet te schrijven waar het volk tevreden mee zou zijn, zodat hij niet net als de Franse koning hoefde af te treden.
Met Thorbeckes grondwet van 1848 werd de ministeriële verantwoordelijkheid ingevoerd. De koning bleef staatshoofd en het belangrijkste symbool van de staat Nederland. Maar nu waren de ministers verantwoordelijk voor het landsbeleid, en niet langer de koning, die onschendbaar was. Het was het begin van de parlementaire democratie zoals we die vandaag nog kennen.
Bijdragen
Reacties
Loading…
Zoeken naar items op Europeana