'Een man van groot vernuft' noemde een tijdgenoot Jan van der Heiden. En terecht, want behalve glasschilder en kunstenaar was hij ook uitvinder.
Zijn eerste uitvinding, in 1668, was de straatlantaarn die 'het verongelucken van veele menschen, die bij duysternis in 't water vallen' kon voorkomen. Maar hij interesseerde zich vooral voor brandbestrijding, sinds hij in 1666 met eigen ogen had gezien hoe een grote brand half Londen in puin legde.
Vroeger werden branden geblust door een lange rij mensen, die elkaar emmertjes water doorgaven. Pas in de 17e eeuw werd de eerste brandspuit uitgevonden. Een groot houten vat met twee zuigpompen, die het water door een pijp persten. Een onhandig bakbeest, dat volgens Van der Heiden 'meer naadeel als nut by de branden deed', omdat hij vlakbij de brand moest staan. Ook moest het vat nog steeds met emmertjes gevuld worden.
Van der Heiden kwam op het idee om een lange leren slang tussen de pomp en de straalpijp te bevestigen, zodat je op afstand kon blussen. Vervolgens ontwierp hij ook nog een waterpomp om water uit de gracht te pompen. De emmertjes waren niet meer nodig.
Uiteindelijk werd hij benoemd tot generaal-brandmeester en richtte hij het eerste officiële brandweercorps van Amsterdam op. In 1690 schreef de trotse Van der Heiden nog het boekje 'Beschrijving der nieuwlijks uitgevonden slangbrand-spuiten', om reclame te maken voor zijn succesvolle uitvinding. Maar dat was niet echt nodig, want heel Europa gebruikte zijn spuit al.
Bijdragen
Reacties
Loading…
Zoeken naar items op Europeana