“Voor hen, die zich door de zwarte handel hebben verrijkt, is dit een slechte tijd”, zei minister van Financiën Piet Lieftinck in september 1945. Vanaf het begin van de Duitse bezetting was de zwarte handel in volle gang geweest. Die oorlogswinsten moesten worden opgespoord, vond Lieftinck.
Een klein deel van de Nederlanders had tijdens de oorlog een enorm fortuin vergaard. Vooral tijdens de hongerwinter, toen eten zo schaars was dat veertig kilo tarwe een jaarsalaris opbracht. Lieftinck begon zijn grote geldzuiveringsactie in juli 1945 door alle biljetten van honderd gulden ongeldig te verklaren. De honderdjes werden op een geblokkeerde rekening gezet. Wie niet kon aantonen dat het op een eerlijke manier was verdiend, kreeg er niets van terug.
Vervolgens maakte Lieftinck op 26 september ook al het andere Nederlandse papiergeld ongeldig. Iedereen die binnen een week zijn geld naar de bank bracht, kreeg tien nieuwe guldens om van rond te komen: het Tientje van Lieftinck. Geen echt tientje overigens, maar vijf biljetten van een gulden en twee van een rijksdaalder. Na een week werden de rekeningen, na strenge controle, geleidelijk gedeblokkeerd en kwam er nieuw geld in omloop. Maar ondanks deze ingrijpende zuiveringsactie ontsprongen veel zwarthandelaren de dans: zij hadden hun zwartverdiende centen al gezuiverd.
Zwarthandelaren verzonnen creatieve manieren om onder de strenge controle van Lieftinck uit te komen. Zo staken sommigen hun geld in ‘zwarte graven’. Ze kochten op begraafplaatsen nog te delven graven met hun oude geld en verkochten deze een paar maanden later voor het nieuw ingevoerde geld. Lieftinck waarschuwde deze sluwe handelaren: “Laten zij niet menen dat hun grimmige spel zal gelukken. Het Ministerie van Financiën heeft goede informanten.” Veel zwart geld was echter al witgewassen met investeringen in sieraden, goud en huizen. En daarmee was de tijd voor handelaren die zich hadden verrijkt toch niet zo slecht.
Bijdragen
Reacties
Loading…
Jan
Zoeken naar items op Europeana