-
Affiche: "Van Houten's Cacao en Chocolade"
Georg van Caspel, 1899 (Bron: Wikimedia Commons)
Denk bij het eten van chocolade even aan Coenraad Johannes van Houten. In de negentiende eeuw vond hij de cacaopers uit. Sindsdien is chocolade zacht, zoet en... lekker!
Spaanse ontdekkingsreizigers namen in de zestiende eeuw cacaobonen uit Latijns-Amerika mee naar Europa. Hier maakte men er een duur chocoladedrankje van dat geschonken werd in koffiehuizen. Alleen rijke heren dronken ervan. Het gold als een soort van medicijn. Mensen vonden het waarschijnlijk niet eens lekker. De smaak was bitter en de chocolade lag zwaar op de maag: de korrelige en vette massa was namelijk slecht verteerbaar.
Dat kwam omdat er veel cacaoboter in de bonen zat. De Amsterdammer Coenraad Johannes van Houten vond hier in 1828 een oplossing voor. Hij maakte een draaipers die de cacaoboter uit de boon perste. De harde plak die overbleef, vermaalde hij tot cacaopoeder om chocolademelk van te maken. De losse cacaoboter bleek ook goed te smaken, zeker als je het met suiker vermengde. De chocolade werd daardoor veel zoeter. Van Houten experimenteerde verder. Aan het eind van het proces had hij een zacht en smeuïg goedje gemaakt, dat al erg leek op de chocolade die wij kennen.
Fabrikanten van over de hele wereld waren enthousiast over Van Houtens uitvindingen. Zij namen de 'Nederlandse methode' over. Een Engelsman maakte op deze manier in 1847 de eerste chocoladereep. Van Houten zat zelf ook niet stil en liet in Weesp een chocoladefabriek bouwen. Nederland werd chocoladeland. De weg was nu vrij voor massaproductie van bonbons, chocoladeletters, verpakte repen en paaseieren.
Bijdragen
Reacties
Laden...
Zoeken naar items op Europeana