Na de Tweede Wereldoorlog had Nederland behoefte aan een 'vaderfiguur' die boven de partijen stond. De PvdA-er Willem Drees bleek de ideale persoon om leiding te geven aan de wederopbouw.
De Duitse bezetting van 1940-1945 liet het land in puin achter. De bevolking moest de handen uit de mouwen steken om de schade aan woningen, industrie en economie te herstellen. Ook het politieke landschap was flink omgewoeld. De nieuw opgerichte Partij van de Arbeid was nog steeds socialistisch, maar voer een gematigder koers dan haar voorganger, de Sociaal Democratische Arbeiders Partij, de SDAP. Belangrijker nog: de verzuiling, het vooroorlogse sociale en politieke systeem waarbij iedereen in een eigen groep, een zuil zat opgesloten, vertoonde de eerste barstjes.
Drees' realiteitszin, bereidheid tot samenwerking én sociale bewogenheid bleken ideale eigenschappen om leiding te geven aan de wederopbouw. Tussen 1948 en 1958 stond hij aan het hoofd van vier achtereenvolgende kabinetten. Het beleid was erop gericht de oorlogsschade te herstellen: opbouw van de industrie, oplossing van de woningnood, bevordering van de export en modernisering van de landbouw.
Toch is Drees vooral geliefd geworden door zijn sociale wetgeving. De Noodwet Ouderdomsvoorziening, die hij in 1947 als minister van Sociale Zaken door het parlement loodste, was erg belangrijk. Deze voorloper van de AOW regelde een staatspensioen voor alle Nederlanders vanaf 65 jaar. Hoewel het volgens hemzelf om 'karige bedragen' ging, werd Drees ervoor beloond met de eretitel 'Vader der Ouden van Dagen'. Maar er kwam nog meer sociale wetgeving tijdens de periode-Drees, bijvoorbeeld de Werklozenwet en de Ziektewet. Drees zelf waakte erover dat alles gebeurde met soberheid en zuinigheid. Volgens zijn credo: 'Niet alles kan, en zeker niet alles tegelijk.'
Bijdragen
Reacties
Loading…
Zoeken naar items op Europeana