Het dagelijks leven van de Nederlander speelt zich aan het eind van de achttiende eeuw af in kleine steden en dorpen. Iedere producent verkoopt daar zijn eigen waren aan een kleine kring vaste klanten. De kruidenier biedt persoonlijk samengestelde melanges thee en zelfgebrande koffie, de kleermaker maakt kleding op maat, de bakker voorziet zijn omgeving van brood en er komen marskramers aan de deur. Steden hebben eigen belastingen, wetten en rechtspraak, er zijn taalverschillen en tijdsverschillen. Nederland is een los verband van onafhankelijke provincies; een sterke landelijke overheid ontbreekt.
In de negentiende eeuw groeit Nederland langzaam uit tot een eenheid. Er komt één koningshuis dat alle Nederlanders met elkaar verbindt. Er ontstaat een gekozen volksvertegenwoordiging, bestaande uit een Eerste en Tweede Kamer, die op nationaal niveau besluiten neemt. Er komt een landelijke infrastructuur en er ontstaat één Nederlandse economie.
In navolging van de omringende landen beginnen ook Nederlandse fabrikanten grote fabrieken en bedrijven waar nieuwe producten worden ontwikkeld voor de wereldmarkt. Een groeiende massa stedelingen, mannen, vrouwen en kinderen, gaat in deze fabrieken aan de slag. In ruil voor zes dagen werk krijgen arbeiders een vast weekloon waarmee ze in de voorlopers van de moderne warenhuizen en supermarkten producten kopen. Soms verdienen ze genoeg om zich de levensstijl van een hogere stand aan te meten, maar vaker worden ze door hun werkgever uitgebuit. Ze organiseren zich in vakbonden en politieke partijen die rechten opeisen, niet alleen voor de werkenden, maar ook voor andere groepen: gelovigen, vrouwen en socialisten. Aan het begin van de twintigste eeuw is de dorpeling in politieke en economische zin Nederlander geworden.