Ik en wij
De verlosser
Johan Cruijff
Zondagochtend 6 december 1981. Mijn vader was ziek. Niet naar Ajax dus, ik was te jong om alleen te gaan. Een ramp. Want Johan Cruijff was teruggekeerd en zou die middag voor het eerst weer voor Ajax spelen, tegen Haarlem, tegenwoordig geen betaald voetbalorganisatie meer. Dus begon ik te dreinen. En te dreigen. En dingen stuk te maken. Werkt nog steeds.
Oplossing: mijn vader schakelde een oom in, Gert Slokker. Vriend van tante Josien, de zus van mijn moeder.
Een vriend. Ik vond dat heel modern en verdacht, volwassenen waren getrouwd, man en vrouw, geen ‘vrienden’ van elkaar.
In die tijd kochten we op de wedstrijddag kaartjes. Geen gezeur met pasjes, paspoorten of voorverkoop. Kaarten genoeg.
Die keer niet. De loketten werden bestormd. ‘Oom’ Gert lukte het om kaartjes te bemachtigen. Naar binnen. Ik keek mijn ogen uit. Eind jaren zeventig en begin jaren tachtig was een uitverkocht stadion De Meer namelijk een nieuwigheid. Ik dacht: wat doen ...
Italië, midden jaren tachtig van de vorige eeuw: voetbaltrainer Arrigo Sacchi zag zijn landgenoten een voetbalveld betreden alsof het een verlengstuk van hun leven was. Vandaar dat ze wilden winnen, zonder al te veel risico en met veel verdedigen: het zogenoemde cattenacio. Sacchi gruwde ervan en vroeg zich af hoe hij een Italiaans voetbalelftal aanvallend en fraai kon laten spelen: ‘Telkens kwam hij uit bij sociaal-culturele verschillen’, aldus Jan-Cees Butter in zijn boek Het perfecte elftal. De Hollandse gloriejaren van AC Milan (2010).
Sacchi haalde daarom aanvallend ingestelde Nederlanders naar zijn club AC Milan. Eerst Ruud Gullit, toen Marco van Basten en tot slot Frank Rijkaard. Daaromheen drapeerde hij Italianen, maar wel Italianen die niet-Italiaans voetbalden of op zijn minst begrepen dat de bal zo snel mogelijk via Rijkaard bij Gullit of Van Basten moest belanden. Binnen no-time stond er een onoverwinnelijk elftal in het veld dat oogstrelend en aanvallend voetbal speelde.
Al snel sprak Sacchi over ‘onze Nederlandse stijl’ en dat er bij Milan al ‘Nederlandse elementen’ te zien waren: de razendsnelle omschakeling bij balverlies en de buitens...
Paul Vlaar, de pastoor die na het WK-voetbal in juli door bisschop Punt voor twee maanden werd geschorst omdat hij een speciale voetbalmis had gehouden, is terug. Dit keer niet in een oranje kazuifel, maar met een steek op en als Prins Paulus van Oranje. De Oranjepastoor is Prins Carnaval geworden.
Kan dat eigenlijk wel? Een pastoor die ook Prins Carnaval is? Natuurlijk kan dat. Het is carnaval en met carnaval kan alles. Bovendien staan carnaval en de katholieke kerk niet los van elkaar. Zo was de Vastenavondviering vooral in de middeleeuwen bij uitstek een kerkelijk feest. Iedereen mocht van meneer pastoor nog even lekker gek doen voordat de kerkklokken om twaalf uur de vastenperiode tot Pasen inluidden.
Na de Reformatie kwam de Vastenavondviering in de verdrukking. Protestanten bestempelden carnaval als rooms en langzaam verdween het feest uit het straatbeeld. Toch bleef carnaval een speciaal plekje innemen in de harte...
Pabostudenten krijgen vanaf volgend jaar aan het eind van hun opleiding een centrale toets over de canon van de Nederlandse geschiedenis. Staatssecretaris Halbe Zijlstra meent dat zowel taal- en rekenvaardigheden als het historisch besef bij onze aankomende juffen en meesters voldoende moeten zijn.
Daar kun je het alleen maar mee eens zijn. Net als dat bakkers moeten weten dat meel iets anders is dan gist, maar dat beide nodig zijn voor het bakken van een knapperig brood. Slagers die een koe niet van een schaap kunnen onderscheiden of sla- en rundervinken vliegend en kwetterend in hun achtertuin ontwaren, drummers die sushi naar binnen ‘lepelen’ met hun stokjes en groentemannen die appels met peren vergelijken – je koopt er geen biefstuk, cd of broccoli van.
Het devies luidt: onderwijs de onderwijzers. De vraag rijst: wat deden en doen ze dan op die scholen? Wie taal, rekenen, geschiedenis en – vooruit – maatschappi...
Loading…
Anton
Lotte